Parallellen…
Er is een diepe, thematische parallel te trekken tussen het gedicht Der Panther (1902) van Rainer Maria Rilke en het tragische lot van de inheemse bevolking (Indianen) in Noord-Amerika, zoals geromantiseerd en beschreven door Karl May in zijn Winnetou-reeks.
Hoewel de contexten compleet verschillen — Rilke observeert een fysiek gevangen roofdier in de Parijse dierentuin Jardin des Plantes, terwijl Karl May schrijft over de ondergang van een cultuur door de oprukkende blanke kolonisatie — delen beide werken dezelfde existentiële motieven: vrijheidsberoving, het verlies van waardigheid, en de psychologische vernietiging van een nobel wezen.
Hieronder worden de belangrijkste verbanden uitgelicht:
1. De blikvanger: Gevangenis van staven en ‘beschaving’
In Der Panther beschrijft Rilke hoe de blik van de panter zo moe is geworden door het voortdurend passeren van de tralies („Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt“). De fysieke tralies ontnemen het dier zijn wereld.
- Het verband: De Noord-Amerikaanse indianen kwamen letterlijk en figuurlijk achter tralies te zitten. Hun ‘tralies’ waren de grenzen van de reservaten (reservations), de spoorlijnen die hun jachtvelden doorsneden en de oprukkende blanke ‘beschaving’. Net als de panter verloren zij hun oneindige prairie; hun leefwereld werd gereduceerd tot een klein, afgebakend stuk grond, waardoor de rest van de wereld voor hen ophield te bestaan.
2. De verlamming van de vitale kracht
Rilke omschrijft de gang van de panter als een soepele, krachtige dans rondom een centrum waarin een grote wil verdoofd of verlamd is („und om ein Zentrum, darin ein großer Wille betäubt steht“). De panter bezit nog wel de spieren en de potentie van een roofdier, maar zijn essentie is gebroken.
- Het verband: Karl May schildert personages als Winnetou af als de ultieme belichaming van trots, kracht en natuurlijke adel. Winnetou is fysiek superieur en bezit een “grote wil”. Echter, tegenover de onstuitbare technologische en demografische overmacht van de blanke kolonisten (de introductie van alcohol, vuurwapens en het systematisch uitroeien van de bizon) wordt de vitale kracht van de inheemse bevolking lamgelegd. De indiaan behoudt in Mays boeken zijn nobele karakter, maar zijn vermogen om autonoom te handelen in zijn eigen misbruikte territorium is “verdoofd”.
3. Het uitdovende beeld (Der innere Tod)
Het indrukwekkendste beeld in Rilkes gedicht is het einde. Slechts heel soms opent het oog van de panter zich, er gaat een beeld naar binnen, reist door de gespannen stilte van de spieren, en sterft in het hart („und hört im Herzen auf te sein“). De buitenwereld heeft geen betekenis meer; de innerlijke leefwereld is dood.
- Het verband: Dit sluit naadloos aan bij de melancholieke toon in het werk van Karl May over de „Untergang der roten Rasse“ (de ondergang van het rode ras). Winnetou is zich er in de boeken pijnlijk van bewust dat zijn volk gedoemd is te verdwijnen. De indrukken van de nieuwe, moderne wereld (stoomtreinen, goudzoekers, industrialisatie) zijn voor de indianen geen tekens van vooruitgang, maar beelden van hun eigen naderende einde. Het besef dat hun cultuur niet kan overleven in deze nieuwe realiteit, zorgt ervoor dat de hoop — net als het beeld bij de panter — diep vanbinnen sterft.
Samenvatting
Zowel de panter van Rilke als de indiaan van Karl May zijn symbolen van gekooide majesteit. Beiden representeren de tragische overgang van absolute, wilde vrijheid naar een gedwongen, lethargische opsluiting. Waar Rilke dit proces microscopisch vangt in de ziel van één enkel dier, trekt Karl May dit op macro-niveau door naar het weemoedige epos van een volk dat bezwijkt onder de druk van een cultuur die hen hun ‘wereld’
In Karl Mays Winnetou-trilogie wordt de tragische ondergang van de inheemse bevolking belichaamd door het personage Winnetou en diens dialogen met Old Shatterhand. Winnetou bezit de pijnlijke wijsheid dat de komst van de blanke beschaving en de vernietiging van de natuur onvermijdelijk zijn voor zijn volk. Grijpende momenten zoals de metafoor van de stervende boom, de wanhoop over de jachtgronden en het naderende einde van zijn ras illustreren dit diepe, melancholische besef van een verdwijnend tijdperk.
Teksten.
Het beroemde gedicht „Der Panther“ van Rainer Maria Rilke werd geschreven in 1902 in Parijs, geïnspireerd op de panter in de Jardin des Plantes. Het gedicht beschrijft treffend de gevangenschap en de verslagen ziel van het dier door de ogen van de dichter.
Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris.
“Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, dass er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gebe
und hinter tausend Stäben keine Welt.
Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein grosser Wille steht.
Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille –
und hört im Herzen auf zu sein.”
“De panter” door Rainer Maria Rilke.
“Jardin des Plantes” – Parijs.
“Zijn blik is door het lopen langs de tralies
zo moe geworden dat hij niets meer ziet.
Het moeten hem wel duizend spijlen lijken
en achter deze duizend bevindt zich – niets.
De zachte tred van de sterke lenige schreden
die om de allerkleinste cirkel draait,
lijkt als een dans van kracht rondom een midden
waarin verdoofd een grote wilskracht huist.
Soms echter schuift het gordijn voor de pupillen
geluidloos open -. Dan komt een beeld naar binnen,
dringt door de stilte van zijn strakgespannen leden –
en eindigt in zijn hart om nergens meer te zijn.”
Rainer Maria Rilke
(Vertaling: W. A. Fraikin)
Citaat uit “Winnetou-1”
(Karl May schreef en publiceerde zijn bekende Winnetou-trilogie in de periode van 1893 tot en met 1898)
“Es war nicht nur eine gastliche Aufnahme, sondern eine beinahe göttliche Verehrung, welche die ersten »Bleichgesichter« bei den Indsmen fanden. Welcher Lohn ist den letzteren dafür geworden? Ganz unstreitig gehörte diesen das Land, welches sie bewohnten; es wurde ihnen genommen. Welche Ströme Blutes dabei geflossen und welche Grausamkeiten vorgekommen sind, das weiß ein jeder, der die Geschichte der »berühmten« Conquistadores gelesen hat. Nach dem Vorbilde derselben ist dann später weiter verfahren worden. Der Weiße kam mit süßen Worten auf den Lippen, aber zugleich mit dem geschärften Messer im Gürtel und dem geladenen Gewehre in der Hand. Er versprach Liebe und Frieden und gab Haß und Blut. Der Rote mußte weichen, Schritt um Schritt, immer weiter zurück.
Von Zeit zu Zeit gewährleistete man ihm »ewige« Rechte auf »sein« Territorium, jagte ihn aber schon nach kurzer Zeit wieder aus demselben hinaus, weiter, immer weiter. Man »kaufte« ihm das Land ab, bezahlte ihn aber entweder gar nicht oder mit wertlosen Tauschwaren, welche er nicht gebrauchen konnte. Aber das schleichende Gift des »Feuerwassers« brachte man ihm desto sorgfältiger bei, dazu die Blattern und andere, noch viel schlimmere und ekelhaftere Krankheiten, welche ganze Stämme lichteten und ganze Dörfer entvölkerten. Wollte der Rote sein gutes Recht geltend machen, so antwortete man ihm mit Pulver und Blei, und er mußte den überlegenen Waffen der Weißen wieder weichen. Darüber erbittert, rächte er sich nun an dem einzelnen Bleichgesichte, welches ihm begegnete, und die Folgen davon waren dann stets förmliche Massacres, welche unter den Roten angerichtet wurden. Dadurch ist er, ursprünglich ein stolzer, kühner, tapferer, wahrheitsliebender, aufrichtiger und seinen Freunden stets treuer Jägersmann, ein heimlich schleichender, mißtrauischer, lügnerischer Mensch geworden, ohne daß er dafür kann, denn nicht er, sondern der Weiße ist schuld daran.
Die wilden Mustangherden, aus deren Mitte er sich einst kühn sein Reitpferd holte, wo sind sie hingekommen? Wo sieht man die Büffel, welche ihn ernährten, als sie zu Millionen die Prairien bevölkerten? Wovon lebt er heut? Von dem Mehle und dem Fleische, welches man ihm liefert? Schau zu, wie viel Gips und andere schöne Dinge sich in diesem Mehle befinden; wer kann es genießen! Und werden einem Stamme einmal hundert »extra fette« Ochsen zugesprochen, so haben diese sich unterwegs in zwei oder drei alte, abgemagerte Kühe verwandelt, von welchen kaum ein Aasgeier einen Bissen herunterreißen kann. Oder soll der Rote vom Ackerbaue leben? Kann er auf eine Ernte rechnen, er, der Rechtslose, den man immer weiter verdrängt, dem man keine bleibende Stätte läßt?
Welch eine stolze, schöne Erscheinung war er früher, als er, von der Mähne seines Mustangs umweht, über die weite Savanne flog, und wie elend und verkommen sieht er jetzt aus in den Fetzen, welche nicht seine Blöße decken können! Er, der in überstrotzender Kraft einst dem schrecklichen grauen Bären mit den Fäusten zu Leibe ging, schleicht jetzt wie ein räudiger Hund in den Winkeln umher, um sich, hungrig, einen Fetzen Fleisch zu betteln oder zu – – stehlen!
Ja, er ist ein kranker Mann geworden, ein – – sterbender Mann, und wir stehen mitleidig an seinem elenden Lager, um ihm die Augen zuzudrücken. An einem Sterbebette zu stehen, ist eine ernste Sache, hundertfach ernst aber, wenn dieses Sterbebette dasjenige einer ganzen Rasse ist. Da steigen viele, viele Fragen auf, vor allem die: Was hätte diese Rasse leisten können, wenn man ihr Zeit und Raum gegönnt hätte, ihre inneren und äußeren Kräfte und Begabungen zu entwickeln? Welche eigenartigen Kulturformen werden der Menschheit durch den Untergang dieser Nation verloren gehen? Dieser Sterbende ließ sich nicht assimilieren, weil er ein Charakter war; mußte er deshalb getötet, konnte er nicht gerettet werden? “
(uit “Illustrierte Werke” nach einem Nachdruck 1898 “Karl May’s gesammelte Reiseerzählungen “ im Verlag Fr. E. Fehsenfeld)

